De deel werd vroeger voor vele doeleinden gebruikt. Het achterste gedeelte om de oogst naar de zolder te brengen, het graan in het najaar te dorsen; opslag van voer voor de koeien, enz. Een eventuele knecht had er zijn onderkomen naast de koeien en het paard. Vroeger leefde men bij en met het vee. Weefgetouwen werden lange tijd gebruikt om linnen te weven voor de opkomende textielindustrie en handel in Twente, vooral ’s winters als er minder werk was op het land.
Het voorste gedeelte was het dagelijks woongedeelte met fornuis en eettafel. Op het fornuis werd gekookt en met feestdagen werd in de oven cake of taart gebakken. Het fornuis was de enige verwarming op de deel. In de winterdag met het vee op stal was het er redelijk aangenaam. Naast de paardenstal vinden we ‘de tonne’, ’t huuske, de WC. Een plank met een gat erin boven de gierkelder. Veelal werd het gat in de plank afgedekt met een deksel.
Bovenin links hangen de stukken gezouten spek, hammen en worst. Naast de weefkamer is nog een slaapruimte voor de knecht ingericht.
De Delle wordt door de Wendezoele gebruikt voor diverse thema’s, activiteiten en demonstraties. Er is een speciale vlashoek en textielvitrine, er staan weefgetouwen waar regelmatig op geweven wordt, er wordt gesponnen, manden gevlochten en het kunstige zandstrooien wordt hier gedemonstreerd.
Vlas is een plant uit de vlasfamilie (Linaceae) en wordt al eeuwen verbouwd om te worden gebruikt als grondstof voor textiel (linnen). De draden werden door intensieve bewerking verwerkt tot garen, waarvan het linnen werk geweven.
Weven is een van de oudst bekende technieken voor het maken van een lap stof. Het basisprincipe van weven is, als volgt: een aantal draden wordt op een raamwerk gespannen. Deze draden noemen we de ketting- of scheringdraden. Het raamwerk is het weefraam of weefgetouw.
De draad die door de ketting geweven wordt, heet de inslag. De inslagdraden lopen van de ene zijkant van de stof naar de andere kant, in de breedterichting dus.
Niets is lekkerder dan wol, vinden veel mensen. Wol komt (meestal) van het schaap. Na het afscheren van de vacht wordt de wol gereinigd, gewassen en gekaard (ontwarren op een naaldenbed of met behulp van de vrucht van de Kaardenbol (Dipsacus fullonum).
Daarna wordt de wol op een spinnewiel tot een draad gesponnen waarmee gebreid kan worden.
Bij ons wordt het spinnen regelmatig door spinsters getoond.
In de vroegere keukenhoek vinden we veel keukengerei waarmee de boerin het voedsel bereidde voor haar gezin. In dezelfde hoek stond ook de eettafel en dat was de plek waar tussen de bedrijven door met elkaar de dagelijkse problemen en het werk werden besproken. Ook de noabers schoven hier aan voor de koffie.
De mooie kamer (Grote Kökk’n) was alleen bedoeld voor bijzondere gasten of zon- en feestdagen.
Lang geleden kwamen schapen in de rui, net als katten en honden. Ze verloren plukken wol tijdens het grazen in de natuur. Door het fokken met schapen en doordat schapen vaker op afgesloten stukken land werden gehouden, werd de natuurlijke rui van de schapen steeds minder. Daarom moeten schapen tegenwoordig geschoren worden. De vacht niet afscheren is trouwens geen optie. Schapen die nog niet geschoren zijn hebben een grotere kans op “omvallen”. Dan kan een schaap vaak niet meer zelfstandig omdraaien en zal dat niet overleven. Ook voor lammetjes is het makkelijker om de speen te vinden bij de moeder.
Bij de Wendezoele laten we indien mogelijk ook het scheren van schapen door een vakman zien. Bekijk het filmpje maar.